Op weekenddagen loopt Linda weleens met de honden. Een goed contact tussen hond en hondenbezitter komt niet vanzelf, daar moet je tijd in steken, en op weekenddagen heeft ze tijd. Oók op weekenddagen is ze wars van verantwoordelijkheid. Niet in alle opzichten, zo is het nou ook weer niet, en ook niet op het lichtzinnige af, maar beslist is ze zeker in de besognes die ze verkiest te negeren.

Huissleutel meenemen, bijvoorbeeld. Vertikt ze. Ik ben immers thuis om voor haar open te doen, dus waarom zou ze haar zakken vullen met bossen hardware van Lips, Nemef, Abus en Axa? Vergeefs wijs ik erop dat ik misschien net met een boek in bad lig, of met prikshampoo in mijn ogen de onder douche sta als zij met de afgepeigerde roedel voor de poort staat. Er kunnen zich bovendien onvoorziene catastrofes voordoen, betoog ik, die er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat ik bekneld lig onder brokstukken van de achtergevel op het moment dat zij aanbelt. Ook een worsteling op leven en dood met een inbreker moeten we in dat opzicht niet op voorhand willen uitsluiten. Ze wuift mijn bedenkingen weg zoals alleen iemand die vastbesloten is een potje stevig te gaan ontspannen dat kan.

Als de deur achter haar en de uitzinnige hondenschare dichtvalt, overweeg ik wat nu de beste invulling van mijn ochtendprogramma kan zijn. Tenzij ze een ijzelstormrondje doet, wat niet te rijmen zou zijn met de prachtige lenteochtend, is ze ongeveer een uur weg. Te kort voor een bad, dus dat valt af en daarmee ook alle intermenselijke contacten buitenshuis, want ongewassen de deur uitgaan is nauwelijks minder laakbaar dan vluchtelingetjes verhuren aan sekstoeristen.

Ik kijk naar buiten. Daar is de tuin, en in de tuin is het zo goed als zomer. Maar in de tuin ben ik te ver van de voordeur verwijderd om de bel te kunnen horen. Zuchtend zet ik een kop koffie en keer de krant nog eens binnenstebuiten. Daar staat geen nieuws meer in. De zaterdagbijlage is al van A tot Z gespeld – ook zo’n typische zondagochtendkommer. Op mijn nachtkastje ligt de tweede, half doorploegde Buwalda. Ik haal het boek van boven, zet mij ermee aan de keukentafel, neem een ferme slok troost hoop er maar het beste van.

Drie pagina’s verder moet ik onbedaarlijk poepen. Terwijl ik worstel op het toilet met mijn erbarmelijke stoelgang gaat de deurbel. Zo luid als ik kan verzoek ik de aanbeller beleefd om geduld, maar die blijkt behept met het soort korte lontje waarin ik moeiteloos Linda herken. Het aanbellen wordt gevolgd door raamklopsalvo’s die in volume steeds luider en in ritme aldoor dwingender worden. In de tijd die het mij kost om af te vegen en door te trekken heeft ze bovendien de halve straat gemobiliseerd. Een buurman belt op haar gezag met de hulpdiensten op het moment dat ik de deur opendoe.

‘Lul!’ roept ze buiten adem. ‘Ik dacht dat er iets vreselijks was gebeurd!’

De buurman stopt zijn telefoon weg en kijkt me fronsend aan. Een buurvrouw van een paar huizen verderop, die zich met reddingsdekens over de honden heeft ontfermd, kijkt teleurgesteld nu er van een familiedrama vooralsnog geen sprake lijkt te zijn.

‘Ik zat op de wc,’ mompel ik.

Brandslangen worden opgerold, afzetlinten verwijderd, en buurtgenoten gaan elk weer huns weegs.

‘Wil je dat nooit meer doen, klootzak?!’ snikt Linda. ‘Ik ben me godverdomme doodgeschrokken!’

Ik opper dat ze dan voortaan toch maar beter een sleutel mee kan nemen.

Ze kijkt me briesend aan. ‘Alsof dat wat helpt! God weet wat er hier allemaal kan gebeuren terwijl ik weg ben. Daar doet een sleutel niks aan.’

Nee, ik mag blij zijn dat we zulke behulpzame buren hebben. Lieve, zorgzame mensen die meteen klaarstaan als zich hier de ergste rampen afspelen. Smalend priemt ze met haar wijsvinger op mijn borst. ‘Met je stomme sleutels. Doe toch niet zo idioot.’