Buiten hoorde Wietse de eerste vogels al. De zaterdagochtend kroop langs de muren omhoog naar het toiletraampje vlak boven zijn hoofd. Hij had de hele nacht doorgewerkt, speurend in de boeken, op zoek naar geld dat er wel moest zijn, maar er kennelijk niet meer was. In de verte hoorde Wietse het geluid van zijn mobiele telefoon. Vanuit zijn kantoor drongen gedempt de eerste akkoorden van Satisfaction tot hem door. Dat moest zijn moeder zijn, die belde stipt om acht uur elke ochtend, ook in het weekend.

Wietse was een man van principes. Zo dienden zijn medewerkers respect te tonen voor zijn positie, zoals hij op zijn beurt altijd formeel was in het bijzijn van Arend Vlastra, zijn baas. Niet dat Arend dat verdiende – de man droeg zelfs tijdens bestuursvergaderingen geen stropdas – maar zo hoorde het nu eenmaal. Wietse zelf had er meer dan veertig, stropdassen, en voor besprekingen met Arend koos hij, bij wijze van statement, altijd een felrood exemplaar.

Voor de vergadering van de Raad van Bestuur, waar hij gistermiddag voor het eerst had mogen aanschuiven, had hij een zijden das met ingeweven geometrische figuren gekozen. Het was zijn lievelings. Hij had hem gekregen van Ilse, aan de vooravond van zijn zesenvijftigste verjaardag. Het was de eerste keer dat ze bij hem zou blijven slapen. Precies om twaalf uur ’s nachts zouden ze samen een fles champagne opentrekken, lekker een beetje nippen van de drank en misschien, heel misschien wel, vrijen tot aan de morgenstond. Dat het zo niet was gelopen, deed aan het moment niets af. Ze was er toch maar mooi die avond, en Wietse koesterde de herinnering.

Hij had een verwachtingsvolle spanning gevoeld bij aanvang van de vergadering. Er was een positie vrijgevallen in de directie, en hij was de eerstvolgende manager in de hiërarchie. Dat was al vaker gebeurd in zijn vierendertig dienstjaren, maar dit keer wees alles erop, dat hij zich binnenkort directeur Wietse mocht noemen. Ook dat was anders uitgepakt.

Terwijl het eerste schuchtere zonlicht door het toiletraam viel, dwaalden Wietses gedachten af naar Ilse. Wat was ze toch mooi, met haar lichtblonde haar en haar bleke huid. Ze was misschien wel de mooiste vrouw op aarde, en dat meende hij echt. Hij had het zelf verknoeid, die avond van zijn verjaardag, dat wist hij best. Ze had hem wat gevraagd, en terwijl hij de borrelnootjes in een schaaltje deed, had hij geantwoord dat hij het juist mooi vond, als een vrouw wat rondere vormen had. Ilse was opgestaan van de bank, had zijn cadeautje op de salontafel achtergelaten, en was zonder een woord te zeggen de deur uitgelopen. Hij had haar niet meer durven bellen en ze hadden elkaar niet meer gezien; de champagne stond nog altijd ongeopend in zijn koelkast.

Haar mooie zijden das was nu zijn enige troost. Op het moment dat gistermiddag de vergadering een akelige wending nam, toen Arend hem ten overstaan van de voltallige Raad van Bestuur vroeg hoe hij een post van zeskommaviermiljoen euro over het hoofd had kunnen zien, geld waarvan niemand leek te weten waar het was gebleven, was de stropdas van Ilse zijn strohalm in een springtij van insinuaties.

Verdwaasd had Wietse de boardroom verlaten. Hij voelde zich beroerd, verraden door zijn baas, als bittere dank voor meer dan dertig jaar trouwe dienst. Hij was in de boekhouding gedoken, vastberaden als een wielrenner die al honderd kilometer alleen aan kop rijdt, om Arends ongelijk te bewijzen. Terwijl iedereen het weekend was gaan vieren, ploeterde Wietse door de administratie. Met het uur was de paniek gegroeid, naarmate steeds meer erop wees, dat hij ergens een kapitale fout had gemaakt. Maar dat kon toch niet waar zijn?

Om kwart voor negen was de schoonmaakploeg vertrokken. Om half één was zelfs de bewaking al naar huis, en van het geld ontbrak nog altijd ieder spoor. Wietses leven was hem intussen geen stuiver meer waard. Hij was naar de toiletruimte gegaan. Daar hadden ze van die smalle ramen, hoog in de muur, die nog open konden. Hij had er een krukje ondergeschoven, was erop gaan staan, had zijn stropdas stevig in de sponning geklemd en het raam weer gesloten. Hij had het krukje weggeschopt, en was de bevrijdende vergetelheid tegemoet gevallen.

De das trok strak om zijn keel, maar niet zo strak als hij had verwacht. Zijn tenen raakten de vloer. Hij trok zijn voeten zo hoog mogelijk op en de spanning op zijn keel nam wel iets toe, maar hij kon nog steeds vrij gemakkelijk ademhalen. Zo ging hij natuurlijk niet sterven. Misschien maar beter ook, want daar zou hij later vast spijt van hebben gekregen. Hij probeerde zich op te trekken naar het raam, maar na een leven lang bureauwerk was er van armspieren helaas nauwelijks nog sprake. En het krukje lag net buiten het bereik van zijn voeten.

Maandagochtend half zeven zouden de schoonmakers er zijn. Iets minder dan achtenveertig uur moest hij daar nog staan, op zijn tenen, tot die vriendelijke Turkse mevrouw hem uit zijn gênante positie kon bevrijden. In de verte hoorde hij weer zijn telefoon.

Wietses das werd eerder gepubliceerd op Het is gezien, een platform voor cultuur en literatuur dat helaas alweer terziele is.