Het zomerfeuilleton verscheen in juli en augustus 2013 op The Post Online, in negen dagelijkse afleveringen.

De Avond van de Derde Dag

Een Teiltje Vaat

Rebecca en ik waren samen. Heel erg samen. We deelden een kamer in een studentenhuis aan de rand van de Jordaan, waar we de spaarzame kubieke meters dagelijks vulden met onze liefde voor elkaar. Rebecca was een in Wassenaar geboren aanstaand arts, of onderzoeker, dat wist je nooit van tevoren natuurlijk, maar ze werkte hoe dan ook gestaag toe naar iets  academisch. We deelden een tafel, twee stoelen, een bed en een diepgewortelde liefde voor Pearl Jam.

Ik nam mijn studie minder serieus dan Rebecca; dat was zelfs mijn voornaamste reden geweest om voor literatuurwetenschap te kiezen. Al ruim voor het einde van het academisch jaar wilden Sjoerd en ik voor minstens een maand naar de Provence, om te klimmen. Rebecca ging niet mee. Ten eerste had ze nog een essay in te leveren en ten tweede was voor haar de lol van het klimmen verdwenen na een gemene val een jaar eerder in de Alpen. Als ze had geweten dat ik nog dezelfde week Jenna zou ontmoeten, zou ze me vast hebben verboden te gaan, of wellicht de nacht voorafgaand aan vertrek mijn piemel hebben afgesneden, gewoon, uit voorzorg.

Camping La Vallée Heureuse in het gehucht Orgon was in de loop der jaren een tweede thuis geworden. De vervallen camping lag in een idyllisch dal met een diep bergmeer, omsloten door steile wanden van ruwe kalkrots. Dankzij die rotsen was het een regelrecht paradijs voor de internationale klimgemeenschap.
Marie-Claire beheerde het basiskamp. Een verlegen Française, wier mooie gezicht werd ontsierd door een vrij prominente snor. De winters woonde ze in Bordeaux en in de zomer kwam ze naar de Provence om de camping van haar oom te bestieren. Ze was al drie jaar smoorverliefd op Sjoerd, sinds hij haar in een aangeschoten bui midden in de nacht had meegenomen om haar te leren klimmen op de Pointe de la Découverte. Sjoerd brak die nacht een middenvoetsbeentje en in Marie-Claire ontwaakte een sluimerende Florence Nightingale. Sjoerd werd verbonden, ondersteund, volgegoten met zoete wijn en voor wat resteerde van de nacht en de volgende weken bereden door Marie-Claire – in dit geval dan de amazone in haar. Sindsdien begon de lente voor Marie-Claire op de dag dat Sjoerd de camping kwam oprijden en dat was meestal pas laat in juni.

We hadden het plan opgevat om dat jaar een nieuwe klimroute te openen. De keuze viel op secteur Babylone, een veertig meter hoge wand op een paar minuten klimmen vanaf het bergmeer. Het uitzicht moest er spectaculair zijn. Bij de plaatselijke Decathlon kochten we boorhaken, een handboor en een hoop los materiaal voor tijdelijke zekeringen. Een beetje klimmen op maagdelijke rots, een paar uurtjes boren en onze namen zouden worden vereeuwigd in de topo – een gidsboekje met klimroutes – van een van ’s werelds meest bezochte klimgebieden.

We bekroonden een dag vol voorpret, die gepaard ging met het doen van de noodzakelijke inkopen, met een calorierijke pastamaaltijd. De schemer viel in met het licht euforische gevoel dat dit een perfecte vakantie zou worden, en als ik Sjoerd toen niet had aangeboden te helpen met de afwas, zou er wellicht ook niets fout zijn gegaan. Maar ik hielp Sjoerd wél met de afwas, en ineens stond ze daar, naast ons in de wasruimte, met een teiltje vaat. Ze had het nog niet in de wasbak gezet, of ik betrapte mezelf erop dat ik koortsachtig zocht naar de beste openingszin ooit. Maar er kwam niks, en toen ze verlegen naar ons glimlachte, wist zelfs Sjoerd geen stom woord meer te zeggen.
‘Godskolere’, was het enige wat ik kon uitbrengen. Weer glimlachte ze verlegen.
Ich heiße Jenna’, antwoordde ze.

De Wedstrijd

Jenna was een paar jaar jonger dan ik, net twintig, had dik roodblond haar bijna tot op haar billen en een gebruind gezicht vol sproeten. Na de afwas hadden we onszelf met twee kartonnetjes bier bij haar uitgenodigd. Ze kwam uit de Pfalz, in het zuiden van Duitsland.
Jenna zat een paar tenten van ons verwijderd aan een van de picknicktafels die als eilandjes over de camping waren uitgestrooid, in het gezelschap van een donkerharig meisje met gitzwart opgemaakte ogen. Door de make-up had ze veel weg van een pandabeertje. Ze woonde in Perth. Jenna had haar ontmoet op een camping in Fontainebleau en samen waren ze verder getrokken langs de grote klimgebieden van Frankrijk. De meisjes hadden een indrukwekkende voorraad witte wijn en zelfs een fles whisky. Het pandameisje haalde een gettoblaster tevoorschijn die bijna te groot was voor hun kleine koepeltentje. Nog geen uur nadat ze het apparaat op tafel had gezet, zongen we alle vier luidkeels mee met David Bowie.

Toch liep het pas uit de hand, nadat Panda Sjoerd had uitgedaagd voor een drinkwedstrijdje. De whiskyfles op tafel was nog half vol en ze plaatste de fles ostentatief tussen hen in. ‘Dit drink ik in één keer op. Daarna wachten we tien minuten en dan loop ik in een rechte lijn van hier naar de washokken.’
‘Prima’, vond Sjoerd. ‘Ik neem de tijd wel op.
‘Ja, maar wacht even. Daarna is het jouw beurt. En dan zullen we eens zien wie hier het beste tegen drank kan.’
Panda had de fles al aan haar mond gezet en klokte de whisky gestaag weg. Met een klap zette ze de lege fles terug op tafel.
‘Oké, tijd loopt!’, lachte Sjoerd.
‘Wacht even, meneer.’ Panda stond op en liep naar hun tentje, om terug te komen met een nieuwe fles. ‘Right. Your turn. Opzuipen tot de helft’, commandeerde ze, en met haar nagel zette ze een streep in het etiket om Sjoerds quotum te markeren.
Sjoerd keek verbluft naar de fles. Jenna viel zowat van de bank van het lachen. Een brede mond tjokvol gave, witte tanden. Haar lichaam was sterk, lenig en slank; het gaf haar iets katachtig, ondanks die grote bruine reeënogen, waar nu de tranen uitliepen vanwege het leedvermaak om mijn beste vriend.

Voor zowel Sjoerd als Panda was de weg naar de washokken verre van recht. Terwijl Panda halverwege in een pak vla trapte, struikelde Sjoerd over een verliefd stel dat al vroeg hun slaapzak was ingekropen. Tegen de tijd dat het stommelende tweetal de washokken bereikte, was de halve camping in rep en roer. Iemand brulde dat hij bij de receptie een klacht zou indienen. Panda hing kotsend in de wc, maar Sjoerd kwam stommelend terug en viel giechelend met zijn logge lijf op het tentje van de meisjes. Dat was niet bestand tegen zoveel mens. Languit liggend in het gescheurde doek deed hij dappere pogingen om Kafka te citeren, maar kwam er niet meer uit.

Ineens was daar Marie-Claire, campingbeheerster en parttime liefje van Sjoerd. Met een geïmproviseerd verbandje onder haar neus, vermoedelijk als gevolg van de ontharingsbehandeling, zag ze eruit als een eendagskuiken. Sjoerd probeerde te gaan zitten, een slepend proces waarbij hij de restanten van de tent nog verder aan flarden scheurde, maar het lukte. Zijn ogen zochten houvast en haakten tenslotte in die van Marie-Claire. Dat daar niet minder dan moordlust in te lezen stond ontging hem.
‘Marietje-Cherietje, mijn lief, mijn lief, waar was je al die tijd, mijn hartendief?’, zong hij op een verzonnen melodie.
Mon dieu…’, zuchte ze. ‘Kan iemand me helpen die dikke idioot overeind te krijgen?’
Het was een wankel evenwicht, waarin we Sjoerd tot stand wisten te brengen. Met corrigerend duw- en trekwerk dirigeerde ze hem naar haar kleine houten beheerderswoning. ‘En nu blijft het stil hier, compris?!’, riep ze over haar schouder, en daarmee verdwenen ze naar binnen. Morgen zou hij een kater hebben die zo fors was, dat die hem of mij, of ons beiden, tijdens het voorklimmen van onze route het leven zou kunnen kosten.

Een kwartier deden Jenna en ik erover om Panda uit de toiletten te krijgen. Ze stonk naar hele zure kots. Terwijl Jenna haar tot op haar onderbroek stripte, verklaarde Panda ons haar liefde en klampte ze ons aan om te zoenen. Ik zette haar onder de douche. Zelfs het koude water kon haar opwelling van allesomvattende liefde niet stelpen. Ze was in elk geval schoon, toen ik haar naar onze tent droeg, waar ze ogenblikkelijk in slaap viel.

Jenna plofte naast me op de bank. ‘Nou, mooi is dat. En waar slaap ik dan?’
‘Ik heb wel een idee. We gooien jullie spullen ook in onze tent, nemen een fles wijn en een slaapzak mee naar het meer, en we slapen daar onder de volle maan. Nou ja, bijna vol.’
‘Half’, antwoordde ze. ‘Hooguit. Maar wel heel romantisch van je.’

Het Zwarte Water

Het zilveren maanlicht spetterde van het rimpelloze wateroppervlak. Jenna nam een slok wijn en gaf me de fles. ‘Zullen we gaan zwemmen?’ Ze stond op en stroopte de strakke klimlegging van haar slanke benen. Haar mouwloze hemdje bleef haken achter de klem waarmee ze haar dikke rode haar had opgestoken. Een beha droeg ze niet. Ik bekeek haar van top tot teen, ademloos.
‘Hé Simon, help eens even, wil je?’
Niet eens heel onhandig bevrijde ik haar uit het hemdje. Ze glimlachte naar me en liet haar slipje van haar billen glijden. Toen ze langzaam het water in liep, kon ik alleen maar staren. Ik dacht niet eens aan seks, zo hypnotiserend werkte haar fysiek.
‘Kom je?’, riep ze over haar schouder, en langzaam liet ze zichzelf in het koele, pikzwarte water glijden.
Ik zwom naar haar toe, niet meer dan een meter of tien uit de kant, maar het was daar al zo diep dat we er niet konden staan. Ze verstrengelde zich in mij terwijl ik ons watertrappelend voor de verdrinkingsdood behoedde, en we zoenden tot de verzuring toesloeg. Ik trok haar mee terug naar het kleine strandje, waar ik haar zo traag mogelijk afdroogde en toekeek hoe ze zich behaaglijk nestelde in de bescherming van de slaapzak. Ik kroop tegen haar aan, de koelte van het bergmeer voelbaar in haar gladde huid tegen mijn borst, en druppelde voorzichtig de laatste wijn in haar mond. We kusten, namen de lepeltjeshouding aan alsof we al jaren getrouwd waren, en vielen tegelijk in slaap.

Zelfs in de schaduw van de hoge cipressen bij het meer was het al warm toen ik wakker werd. Sjoerd zat op zijn knieën naast me en gebaarde naar de slapende Jenna in mijn armen.
‘Hebben jullie…?’, fluisterde hij.
‘Eh, nou eh… Nee.’
‘Je lult.’
‘Nee, eerlijk waar, ik heb het niet eens geprobeerd. Kwam niet in me op, ik zweer het je.’
‘Ik geloof je niet. Vanwege Rebecca? Die hoeft er toch niks van te weten?’ Van een fluisterende toon was nu geen sprake meer. ‘Hoor eens, mij hoef je niks wijs te maken. Ik zal heus niks tegen haar zeggen. Maar ik ben toch zeker niet gek of zo? Toen ik je vanmorgen niet op de camping vond wist ik het al. Ik zag haar gisteravond al zo naar je kijken en jij hebt de ruggengraat van een naaktslak, dus het was niet moeilijk te raden dat jullie samen ergens een knus plekje hadden opgezocht. En jawel, here you are. Dus ga jij even lekker iemand anders in de zeik nemen.’

Ik bleef ontkennen, maar dat had weinig zin. In Sjoerds wereld was het simpelweg onmogelijk met een mooie vrouw te slapen zonder elkaar de lucht uit de longen te neuken.
‘Even wat anders. Waarom heb jij geen moddervette kater?’
‘Ha! Marie-Claire heeft een uitstekende EHBO-kit. Panadol, ibuprofen en codeïne. Ik voel me prima.’
Tag Sjoerd, wie geht’s?’ Jenna kwam overeind in de slaapzak. Ze kuste me en glimlachte naar Sjoerd. ‘Dat jij al wakker bent… Waanzin! Geen kater?’ Loom rekte ze zich uit, raapte haar slipje en haar hemdje bijeen en kleedde zich op haar gemak aan.
‘En jij hebt helemaal niks…’, probeerde Sjoerd nog een keer. ‘Ach, pleur op, ik geloof er geen ruk van. Ik ga even boodschappen doen. Zie je zo wel op de camping, oké?’

Hij was al terug en had de tafel gedekt. Verse croissants, stokbrood, vleeswaren, kaas, eieren, fruitsappen, glazen, borden en bestek. En kokosbrood natuurlijk.
Al sinds het eerste jaar dat we in Orgon kwamen, haalden we onze boodschappen bij de piepkleine alimentation in het dorp. De uitbater was een tanig oud mannetje, dat het grootste deel van de dag op het dorpsplein voor zijn winkel jeu de boules speelde met zijn al even tanige dorpsgenoten. Hij verkocht kokosbrood. Ellendige plakjes zoetigheid die je thuis nooit in je mandje zou gooien, maar die op vakantie om volstrekt duistere redenen een uitheemse delicatesse lijken. Zoals van bijna alles in zijn winkel, had hij ook van het kokosbrood maar een bescheiden voorraad, wat ons ertoe bracht hem iedere ochtend jolig te vragen om “ál zijn kokosbrood”. Tot hij na ruim een week van dagelijks hetzelfde ritueel, met de gulle lach van de overwinnaar, een verhuisdoos op de balie plantte, tjokvol kokosbrood.

Alsof ze in de rij had gestaan bij de voedselbank viel Jenna aan op het ontbijt. ‘Ik wil jullie niet in de weg lopen’, zei ze tussen haar tweede en derde croissant. ‘Ik bedoel, met al die plannen voor jullie nieuwe route. Dat is zó gaaf, dat moeten jullie echt doen! Als ik Panda wakker kan krijgen gaan we een nieuwe tent kopen.’
Sjoerd keek een beetje moeilijk naar zijn slippers. Jenna lachte, met een onbevangen blijheid waar uitsluitend slachtoffers van zouden komen. ‘Simon betaalt wel. Vannacht.’

Rozemarijn en Tijm

Het voorklimmen van de route leek eenvoudig. Er zat een mooie natuurlijke lijn in, met halverwege een overhangend gedeelte, en de route kon redelijk worden gezekerd. Terwijl Sjoerd zich weinig elegant door het moeilijkste stuk sjorde, kon ik dertig meter lager ternauwernood alle losgetrokken brokstukken ontwijken. Na twee pogingen kwam hij door de overhang, plaatste een slaghaak en hing het touw in.
‘Hé, Siem! Zag je me gaan? Fluitje van een cent, kerel! Het is nog maar een meter of vijftien, hooguit twintig, naar de top. Als we nog genoeg touw hebben, klim ik het laatste stuk ook uit. Er groeit hier trouwens rozemarijn. En tijm. Lekker voor het eten straks!’

Ik monsterde de hoeveelheid touw die ik nog kon uitgeven, op het moment dat Sjoerd een schor geluid uitstootte, dat nogal alarmerend klonk. Tegelijkertijd kreeg ik een ruk aan het touw en werd als een zak aardappelen langs de wand omhoog gesleurd. Met oorverdovend lawaai denderde er een stuk rots ter grootte van een Volkswagenbusje naar beneden. Het gevaarte sloeg een paar meter naast me in, daarbij een groepje jonge dennenboompjes verpletterend. Hangend in mijn gordel, anderhalve meter boven de grond, moest ik mijn kaken op elkaar klemmen om niet te klappertanden. Adrenaline blies mijn spieren op tot dikke worsten die te lang op de barbecue hebben gelegen.
‘Joh’, riep Sjoerd, ‘daar stond jij net, naast die boompjes, toch? En nu ligt onze overhang daar.’ Hij hing een meter of vijfentwintig boven me met een grimas die niet paste bij zijn kloeke toon. Op de plaats van het uitstekende blok, waar hij zojuist moeizaam opgeklommen was, gaapte nu een holte in de rots.
‘Geen wonder dat er hier niet geklommen wordt’, riep hij. ‘Deze berg is een gatenkaas! Laat me maar zakken, dan houden we krijgsraad.’
‘Ja, dat gaat dus niet lukken, vriend. Het touw zit vast. Je hebt er net zelf een goeie dertig ton steen bovenop gedonderd. Het enige wat ik kan doen, is mezelf uitbinden en beneden hulp halen.’
‘Siem, wacht even. Dat is geen goed idee. Laten we hier eerst even over nadenken. Als jij je nu uitbindt, dan hang ik aan een stuk touw dat verpletterd is door een soort van grafmonument en dus elk moment kan afbreken. Als jij je uitbindt en het touw begeeft het, dan sla ik harstikke te pletter op dat stomme rotsblok.’
‘Joh, Sjoerd, doe niet zo kinderachtig. Het is maar voor heel even. Ik wurm mezelf uit mijn gordel en ik ga beneden een extra touw halen, klim naar je toe en dan laat ik je zakken. Ik moet ook onwijs pissen trouwens. Er zit echt niks anders op.’
‘Ho-ho-ho, niet zo snel’, protesteerde hij. ‘Kun je echt niet naar beneden?’
‘Nee, anders deed ik dat wel. Het touw staat strak als een snaar en ik kan geen centimeter omhoog of omlaag. Maak je niet zo druk joh, het houdt heus wel.’
‘Wacht nou effe! Kijk! Er komen mensen aan, kijk dan Siem, er komt een man of zes naar boven vanaf de camping!’
Vanuit mijn positie kon ik niemand zien, maar ik hoorde inderdaad opgewonden stemmen. ‘Zijn het klimmers?’
‘Nee, het zijn wedstrijdzeilers, Siem, wat dacht je dan? Natuurlijk zijn het klimmers! Ik zal het je nog sterker vertellen, je nieuwe liefje is er ook bij!’

Jenna stond vlak onder me, naast het rotsblok dat met zoveel geweld was ingeslagen dat het in het hele dal hoorbaar was geweest. Ze wilde me omhelzen, maar daarvoor hing ik net te hoog, dus kuste ze m’n dijbeen maar. ‘Ich dachte du wärst tot! Ik laat je nooit meer alleen klimmen!’
Er stond een heel groepje om ons heen. Behalve Jenna en Panda waren nog drie mannen, een vrouw en een baby op de herrie afgekomen. Een blonde vent nam de situatie op en kwam met een verhelderende analyse. ‘Looks like you’re in a tight spot, guys. Hebben jullie hulp nodig?’
‘Ach welja, nu jullie er toch zijn…’, riep Sjoerd van boven.
‘We zouden natuurlijk achterom kunnen lopen’, overwoog de vrouw met de baby, ‘maar dat kan wel een paar uur duren. Of we klimmen naar je toe en binden je om.’
‘Kunnen jullie niet gewoon het touw doorsnijden?’, vroeg ik. ‘Zo laag mogelijk bij de grond. Dan bind je jullie touw aan mijn gordel, klim ik omhoog zodat mijn maat zakt en bind ik mezelf boven om in jullie touw.’
Panda zette haar rugzak op de grond. ‘Oké, maar hang dan wel éérst ons touw aan Simons gordel voor je het andere doorsnijdt’, riep ze tegen niemand in het bijzonder. Ze haalde een fles wijn en haar gettoblaster tevoorschijn. Pearl Jams ‘Jeremy’ loeide uit de speakers en er werd geproost als om een goede afloop te bezweren.
‘Hé! Jongens?’, klonk het van boven. ‘Is dat wel zo’n goed idee, met die wijn? Ik moet nog wel eerst even gered worden hè?’

De Haak

Zodra het touw werd doorgesneden, schoot ik een paar meter omhoog. De klim daarna ging snel, aanzienlijk geholpen door het gewicht van de dalende Sjoerd. Pas toen ik het hoogste punt had bereikt en Sjoerd al veilig op de grond stond, zag ik hoe penibel de situatie was geweest. De slaghaak die Sjoerd boven de afgebroken overhang had geplaatst, was bijna helemaal losgewrikt. Tussen het puin vond ik een flinke kei waarmee ik de haak weer in de spleet probeerde te slaan. Het hielp iets, maar niet heel veel. Het was een gok. We hadden er samen aan gehangen, en toen had de haak ook gehouden, maar geluk is eindig. Ik was nog geen twintig meter gedaald toen er een schok door het touw ging. Instinctief remde ik af en bleef geschrokken hangen, hopend dat de haak het zou houden. Van beneden riepen verschillende stemmen dingen die niet tot me doordrongen. Het kostte misschien een paar seconden voor ik besefte dat afwachten dodelijk stom was. Ik hád geen keus, ik moest zo snel mogelijk naar beneden. Ik liet het touw vrij doorlopen, het schroeide mijn handpalm als een smeulende sigaar. Pas twee meter boven het afgebroken rotsblok durfde ik te remmen, schoot nog een meter verder door, tot ik met mijn rug vlak boven het blok hing en de spanning op het touw maximaal was. Op dat moment schoot de haak los. Als een gesprongen sleepkabel zwiepte het touw naar beneden, terwijl ik in de smalle spleet tussen het rotsblok en de wand viel.

Veel deed pijn, maar niets was kapot. Een kleine schaafplek op een elleboog en een knie, meer was er niet aan de hand. Ik klauterde op eigen kracht achter het blok vandaan en werd aarzelend begroet door onze geschrokken redders. Sjoerd had een venijnige klap van het zwiepende touw gekregen. Een rode striem op zijn schouder – het zag er ernstiger uit dan het was. En toen barstte het los. Iedereen riep en lachte en gilde en sloeg op schouders of sprong nutteloos wat in het rond. De ontlading was ronduit komisch, en overdreven, alsof we na een week van kou en ontbering als door een wonder waren gered uit een kloof tweehonderd meter onder de top van de K2.

Heel terloops omarmde Jenna me van achteren. Met haar vingers tastte ze naar het aanbindpunt van mijn gordel, waar ze haar handen liet rusten. Rebecca had zo vaak  hetzelfde gedaan, als ze even behoefte had aan contact. Ik stond het toe, en daarmee overschreed ik een grens. Sjoerd bekeek ons peinzend, alsof hij er nog niet uit was wat hij vond van deze situatie.

Ze drukte zich tegen me aan en fluisterde hees in mijn oor. Ik verstond er weinig van, omdat er om ons heen met veel gerammel van zekeringsmateriaal aanstalten werd gemaakt om elders te gaan klimmen. Ze sprak niet, ze zong. Haar warme adem in mijn oor was mijn breekpunt. Telkens als ik de gebeurtenissen van die zomer overdenk, kom ik uit bij dat moment, die twee minuten, waar ik sterker had moeten zijn.

Ik draaide me om en wilde haar zoenen, maar dat liet ze niet toe. Toen ik het nogmaals probeerde beet ze in mijn lip. ‘Geduld jij, mannetje! Weet je wat ik zong? Het is een gedicht van Matthias Claudius, “Der Mond ist aufgegangen”. Het derde couplet gaat over de maan, die halfvolle maan waar we gisteren samen naar hebben zitten kijken.’
‘Ja, zoveel had ik er ook nog wel van verstaan’, viel ik haar in de rede.
‘Stil nou! Het gaat om de diepere betekenis. Eigenlijk zegt hij, dat ook als we maar de helft zien, de maan toch altijd perfect rond is en dat we respect moeten hebben voor datgene wat we niet zien. Het wordt vaak gezongen in Duitsland als een slaapliedje. Mijn moeder zong het altijd voor me. Vanavond wil ik die andere helft van de maan ook zien. En dan mag je me kussen.’

De Zichtbare Helft van de Maan

De zichtbare helft van de maan glinsterde in het zweet op haar rug. We waren een uur geleden het massief van de Luberon ingetrokken. Vanaf de camping slingerde zich een onverharde weg het gebergte in en liep na een kwartier dood in een hellend terrein vol steengruis en verdroogde struikjes. Hier waren we rechtsaf een bergpad opgegaan en nu lagen we, ongeveer driehonderd meter boven de camping, in een beschut grasveldje tussen de rotsen, met een weergaloos uitzicht over het maanverlichte dal.

We waren nat, van transpiratie, van speeksel, van alles wat met seks te maken heeft. Jenna steunde met haar hoofd op beide handen, turend over de rand naar de verschillende vuurtjes op de camping. Ik bestudeerde haar gezicht, terwijl ik de holte van haar rug, haar billen en de achterkant van haar dijen streelde.
‘We gaan morgen al weg, weet je. Panda wil nog graag naar Chamonix. Ze heeft nog een week op haar visum voor Europa. Ik wil niet weg, Simon. Ik wil bij je blijven.’

Ze was even stil. Krekels. Duizenden krekels, en het trage draaien van de Grote Beer rondom de Poolster. In niets anders kun je zo duidelijk het onverbiddelijke verstrijken van de tijd zien. Onbarmhartig op weg naar een nieuwe morgen, die wat mij betreft nog heel lang op zich mocht laten wachten. Morgen zou vanzelf worden opgeslokt door overmorgen, en overmorgen weer door over-overmorgen, en zo maar door, tot de dag dat ook Sjoerd en ik ons kampje zouden opbreken, een dikke duizend kilometer in de auto zouden meebrullen met rock en grungemuziek, tot ik in Amsterdam tenslotte Rebecca weer zou zien.

Jenna had zich omgedraaid. Ze lag op haar rug naar me te kijken hoe ik twee plastic mokken wijn inschonk. Ik veegde het haar uit haar gezicht bijeen over haar schouder en terwijl ze dronk van de wijn volgde ik nauwgezet iedere beweging, in een ultieme poging niets van haar te missen, om haar spectaculaire naaktheid millimeter voor millimeter op te slaan, in verstild 3D, omdat het straks alles zou zijn wat ik nog van haar had.
‘Ik wil niet weg’, herhaalde ze. ‘Vanmiddag, bij de rotsen, was ik heel erg bang dat het mis zou gaan, dat je te pletter zou vallen.’

Er liep een traan over haar wang. ‘Ik kreeg geen lucht meer’, vervolgde ze. ‘Mijn keel zat dicht en ik kon niets, alleen maar als versteend staan en kijken. Maar daardoor weet ik nu wel dat ik je niet meer kwijt wil. Is dat raar om te zeggen?’
Ik schudde van nee en streek de rug van mijn hand langs haar kin om de traan op te vangen. ‘Niet raar, maar misschien wel wat vroeg. We kennen elkaar pas twee dagen.’ Ik proefde de druppel op mijn tong.
‘Ja, maar het zou net zo goed twee jaar kunnen zijn. Ik voel me goed bij jou. Beter dan ooit. Ook al is het misschien niet voor eeuwig. Het is nooit voor eeuwig, want uiteindelijk gaat alles een keer stuk, maar ook al is het dan maar tijdelijk, ik wéét gewoon dat wij het heel leuk met elkaar kunnen hebben. Dat moeten we morgenochtend niet weggooien.’
Een tweede traan. Ze wendde haar gezicht af, ik trok haar naar me toe, met haar rug tegen me aan en hield haar stevig vast. Ze huilde geluidloos, ik kuste haar oor en haar schouder. Ik hoefde haar niet te kwetsen met een verhaal over Rebecca. Misschien kon ik volstaan met een obligate tekst over de dramatiek van vakantieliefdes, de goddelijke hevigheid ervan, die een rechtstreeks gevolg is van de tijdelijkheid, het onvermijdelijke afscheid en het euforische gevoel van vrijheid dat gepaard gaat met vakantie, dat zelfs volledig toerekeningsvatbare mensen ertoe kan brengen elke dag kokosbrood te kopen bij de lokale kruidenier. Maar dat zei ik allemaal niet.
‘Natuurlijk niet, fluisterde ik in plaats daarvan in haar oor. ‘We gooien niks weg. Du, Jenna, komm, niks aan de hand. Morgen trekken jullie verder. We zien elkaar even niet, maar dat is maar tijdelijk. Ik kom je opzoeken, zodra ik terug ben van vakantie. Hé, meiske! Kom eens hier.’ Haar gezicht glom van de tranen, maar ze lachte, opgelucht. Jenna perste haar lippen op de mijne, met haar tong op zoek naar houvast, en de vergeefse intentie om nooit meer los te laten.

Het Loeder Wil Oorlog

Rebecca was er niet, toen ik een goede maand later thuis kwam. Ik haalde mijn toilettas uit mijn rugzak en mikte de rest van de spullen in de hoek bij het raam. Pas toen ik terugkwam uit de douche, met een naar lavendel geurende handdoek om mijn middel, viel me op hoezeer mijn klimspullen en andere kampeertroep de orde in de kamer verstoorden. Rebecca had alles achterlijk netjes opgeruimd. In zo’n piepklein studentenkamertje is een zekere interieurdiscipline een vereiste om het leven draaglijk te houden en wat dat betreft deden we beiden het nodige, maar zo schoon en netjes als nu had ik het nog nooit gezien.
Op de gang zat een meisje te bellen. Ik herkende het manische vriendinnetje van een pedante huisgenoot. Niemand van ons had destijds de middelen voor een mobiele telefoon. Daarom was er een comfortabel zitje ingericht rondom de enige centrale telefoon die het studentenhuis rijk was, en te oordelen aan het pak chips en de fles cola waarmee ze zich in de oude rookfauteuil had genesteld, knieën opgetrokken onder haar kont, zou het gesprek niet bijzonder snel ten einde zijn.

Ik besloot mijn e-mail te bekijken. Na een maand zonder was dat niet het eerste waaraan ik dacht, maar wellicht had Rebecca een bericht voor me achtergelaten. Ze zou bij haar ouders kunnen zijn, of besloten kunnen hebben de ongetwijfeld succesvolle afsluiting van het academisch jaar te vieren met een korte vakantie in hun buitenhuis in Zwitserland. De laptop bleek echter onvindbaar. Op zich was dat geen reden tot paniek. Technisch gezien was het ding van haar, door de toevallige omstandigheid dat ze het apparaat van haar vader had gekregen, voor haar studie. Dat ik het ding veel meer gebruikte dan zij, en voornamelijk om er stomme spelletjes op te spelen, deed daaraan natuurlijk niets af.
Veel zorgelijker was, dat ik tijdens het speuren naar de computer, ontdekte dat de overdreven netheid van de kamer vooral kwam doordat er heel veel huisraad ontbrak. Zo miste ik de wekkerradio, het broodrooster, de piepkleine kleurentelevisie die nog maar één kanaal kon ontvangen, de designlamp die Rebecca had gekocht op een veiling, en de kleine reproductie van De Anatomische Les, die ik in een lollige bui voor haar had gekocht toen ze voor het eerst in haar leven eens niet de maximale score had gehaald bij een tentamen, en die gedurende twee mooie jaren onafgebroken aan de muur boven ons bed had gehangen. Toch niet het type spullen dat je meeneemt op vakantie. Bovendien bleek haar kledingkast leeg.

Terwijl mijn nervositeit per seconde steeg en het verlangen om Rebecca’s stem te horen navenant dringender werd, trok het telefonerende wicht zich niets aan van de wanhoop die ik toch duidelijk meende te etaleren. ‘Sorry’, probeerde ik tenslotte, ‘ik wil je niet opjagen, maar zou ik misschien heel even mogen bellen? Het is écht héél dringend. Of weet je toevallig waar ik Rebecca kan vinden?’
‘Wacht even mam,’ onderbrak ze het oeverloze gesprek, ‘er staat hier iemand moeilijk te doen.’ Ze legde haar hand over de hoorn en richtte zich tot mij. ‘Ik kén geen Rebecca, oké? En laat me nou met rust, eikel!’
In een vlaag van woede greep ik naar de draad waarmee de telefoon in het wandcontact was geplugd, maar het serpent was sneller en sloeg me met de vlakke hand in mijn gezicht. ‘Als je dat nog een keer probeert, klootzak’, siste ze, ‘dan ga ik gillen en zeg ik dat je me wou aanranden!’
Dat loeder vroeg om oorlog. Iets zei me dat ik hier niet lang meer zou wonen, zodat ik de inzet van zware middelen niet hoefde te schuwen. Ik haalde de brandblusser uit de badkamer. Met de spuitmond als een vlammenwerper in de aanslag liep ik met de koolzuursneeuwblusser op haar af. Ze lachte onnatuurlijk hoog en riep met overslaande stem dat ik het lef niet had. Onder andere omstandigheden had ze misschien gelijk gekregen. Maar nu niet. Ik kneep de handel van de brandblusser samen en een bevrijdend krachtige stroom koud, wit spul spoot in haar richting. Heel even was ze sprakeloos en daarna werd ik overladen met verwensingen. Ik liep verder op haar toe en spoot nog een keer. Ze zette het op een lopen en sloot zich op in de kamer van de pedante huisgenoot.

Eindeloos ging de telefoon over, tot ik eindelijk Rebecca’s vader aan de lijn kreeg. Op mijn vraag waar ik Rebecca zou kunnen vinden, reageerde hij eerst met stilzwijgen en daarna een kort “ik geef je haar moeder even”, dat uitgesproken leek met een in woede gesmoorde stem.

De Ansichtkaart

De jaren met Rebecca waren de mooiste van mijn leven. In de twintig jaar voor ik haar ontmoette, had ik het niet voor mogelijk gehouden dat ik ooit zoveel van iemand zou houden. De grote verschillen in onze afkomst en karakters bleken vruchtbaar als de as op een vulkaanhelling; ook na twee jaar voelde ik nog elke dag hoe onze liefde zich verdiepte, ververste, verankerde met wortels die wijd vertakten en diep groeven, bestand tegen vrijwel elke storm. En dat zou ik bewijzen ook; wat er ook gebeurd was, ik was vastbesloten haar niet op te geven.

De eindeloze stilte aan de andere kant van de lijn werd verbroken. Ik kon horen hoe iemand de hoorn opnam van het rococo secretaire in de vestibule. Rebecca’s moeder. Ze klonk niet veel killer dan anders. In beleefde bewoordingen gaf ze me te verstaan dat ik niet meer moest bellen en dat ik, wat haar betrof, niet langer welkom was in de familie. ‘Misschien moest je maar eens even in je post kijken’, zei ze, ‘dan zul je het allemaal wel begrijpen.’
‘Maar kan ik alsjeblieft ook even met Rebecca spreken?’, bedelde ik.
‘Rebecca is nu niet hier en ik weet ook niet waar ze is’, zei ze ijzig. ‘Maar als ze terug is, zal ik zeker zeggen dat je hebt gebeld.’

De post. Een paar rekeningen, een ansichtkaart, een folder over brandpreventie, de Pabo catalogus vol plaatjes van dames in lingerie en een brief van de huisbaas over de renovatie op eerste verdieping. De kaart? De kaart, ja, uit Chamonix. Hij was van Jenna. Ik las hem duizend keer en begreep tenslotte, zoals haar moeder al had voorspeld, waarom Rebecca er niet was. Ik mikte mijn spullen weer in de rugzak en vertrok naar Sjoerd.

Files bij Utrecht en Breda rekten de reistijd naar Antwerpen op tot een kleine drie uur. Teveel tijd om na te denken, terwijl de ruitenwissers elkaar najoegen, en de remlichten van de auto voor me keer op keer het interieur van mijn gammele Fiat Ritmo in lichterlaaie zetten. Ik was geschrokken van de ingehouden woede die in haar vaders stem had doorgeklonken. De man was, in tegenstelling tot zijn vrouw, altijd erg op me gesteld geweest. Ik had van hem eerder verwacht, dat hij zijn dochter zou aanmoedigen om de zaken in elk geval als volwassenen uit te praten. Was er meer dan alleen die kaart? Zou Rebecca contact hebben gezocht met Jenna? Ik verzon de meest onstuimige scenario’s, maar kon geen verklaring vinden voor de verbolgenheid in de stem aan de telefoon.

Ik logeerde twee uitzichtloze weken bij Sjoerd. Elke dag was er de verleiding Rebecca’s ouders te bellen, wat me niets anders zou opleveren dan de vernederende afwijzing van haar moeder, zodat ik er niet aan toegaf. Overdag, als Sjoerd bijverdiende in een winkel waar kampeerspullen werden verkocht, perfectioneerde ik de kunst van het ogen uit je kop janken, en ’s avonds lieten we ons samen vollopen in steeds weer een andere bar, omdat we bijna iedere nacht starnakel lazarus door de respectievelijke uitbaters op het uitgesleten Antwerpse plaveisel werden gekegeld. Na anderhalve week kon ik niet dieper zinken; ik was al ladderzat voor Sjoerd thuiskwam en at uitsluitend nog kebab van de shoarmatent beneden. De klapper kwam toen ik op een middag door een medebewoonster bewusteloos werd gevonden op de vloer van het gezamenlijk toilet, hangend tegen de pot, die ik in mijn onmacht niet op tijd had bereikt.

Sjoerd bleef twee dagen thuis, twee dagen waarin ik geen druppel meer te drinken kreeg en het besef groeide, dat ik iets moest doen. Het verlies van Rebecca was met de dag ondraaglijker geworden. Eerst was er het verdriet, daarna de frustratie vanwege de pertinente onmogelijkheid haar uit te leggen hoe het was gegaan, het voortdurende uitblijven van een kans om haar opnieuw voor me te winnen, hoe klein ook, en tenslotte was er sprake van volmaakte misère; een allesoverheersend gevoel van schuld, mijn schuld, mijn overgrote schuld. En nog altijd had ik niets wezenlijks ondernomen om haar terug te krijgen, of anders tenminste iets met haar uit te praten, haar nog een keer te zien, al moest het de laatste keer zijn. Haar nooit meer zien, dat was het summum van ellende, een onhoudbare, eeuwigdurende kwelling.

Bellen naar haar ouders had geen zin. Met wat moeite vond ik tenslotte het nummer van Aaron, haar oudere broer, in Den Haag. Die nam wel op. En stond me te woord. En wilde zelfs ingaan op mijn vraag, waarom zijn familie er alles aan deed om me bij Rebecca weg te houden.
‘Dat is niet zo’, antwoordde hij. Het klonk broos, alsof hij met zijn gedachten niet bij het gesprek was. ‘Niemand wil haar bij jou weg houden. Je weet hoe mijn moeder kan zijn, niet altijd even hartelijk, maar ze bedoelt er niks mee. Hád je maar gebeld, Simon. Rebecca was vermist. Maar nu is ze terecht.’ Er viel een korte stilte. Toen hij hervatte, was hij schor. ‘Vanmorgen hebben we haar gevonden, in Bloemendaal. Twee weken zijn we haar kwijt geweest. Tot ze vanochtend aanspoelde op het strand.’

De Avond van de Derde Dag

Het was het meest vervreemdende telefoongesprek dat ik ooit heb gevoerd. Aaron was mild, niets van de wrok die je misschien zou mogen verwachten, en hij wilde niet ophouden over zijn zus te praten. Twee uur duurde het onderhoud, waarin we er gezamenlijk in slaagden de onvermijdelijke realiteit ontkennend voor ons uit te schuiven en ons te laven aan mooie herinneringen, waardoor een opmerkelijke dissociatie optrad, alsof wij achterbleven in een wereld waarin Rebecca nog arts zou worden, en niemand ooit kon sterven. Veel van wat er daarna gebeurde is nog slechts vaag aanwezig in mijn geheugen, versluierde gesprekken en gebeurtenissen, die ik me herinner alsof ik ze op televisie heb gezien, terwijl ik er toch echt zelf bij was.

Rebecca was na het vinden van Jenna’s ansichtkaart spoorslags naar haar ouders in Wassenaar vertrokken. Twee dagen heeft ze niets anders gedaan dan op haar meisjeskamer uithuilen. De volgende dag is ze met haar vader naar Amsterdam gereden om haar spullen op te halen, op het kennelijke advies van haar moeder, die vond dat ze haar leven weer moest oppakken en dat daarin onmogelijk nog plaats kon zijn voor mij. In die dagen schijnt ze geen woord te hebben gesproken, op de basale uitleg omtrent die jammerlijke ansichtkaart na. Nog een dag later was ze weg. Dat was de dag waarop ik haar ouders belde.

Ze werd als vermist opgegeven en er werd verbeten naar haar gezocht. Door familie en vrienden, die weigerden te geloven in een ongelukkige afloop. Hoe vaak ze mij wel niet hebben gebeld, in de hoop dat ze naar mij terug was gegaan, maar ik was onvindbaar, opgerold als een beer in winterslaap in een hol in Antwerpen, waar Sjoerd er alles aan deed om me te doen ontwaken uit een permanente roes van zelfmedelijden en alcohol. Zolang ik onvindbaar was, bleef er ruimte voor hoop. Tot ze aanspoelde. Tot ze aanspoelde op het strand van Bloemendaal. Tot ze aanspoelde op het strand van Bloemendaal en werd gevonden door een vroege wandelaar, of eigenlijk door zijn hond.

Waarschijnlijk is ze op de avond van die derde dag de achterdeur uitgewandeld, heeft ze de grote, lommerrijke tuin met de vele rododendrons, de bloeiende vlinderstruiken en de blauweregens doorkruist tot de grote poort in de oude muur aan de achterzijde, die toegang gaf tot de duinen. Deze herinnering staat in mijn geheugen gegrift, het is misschien wel het meest lucide memento uit die tijd. Ik ruik de bloesems in de zilte avondlucht en ik zie hoe de volle maan glanst in haar zwarte haar en ik kan haar stap voor stap volgen, in haar witte nachthemd, dat ze normaal alleen in de winter wel eens droeg, maar klaarblijkelijk ook erg geschikt had geacht voor deze gelegenheid. Boven op het hoogste duin blijf ik staan en kijk haar na, hopend dat ze zal omkijken, dat ze haar arm zal opsteken en zal wuiven met haar hand, zoals ze deed toen ik haar naar Schiphol had gebracht, een jaar eerder, voor een weekje vakantie bij haar ouders in Zwitserland. Zoals ik daar sta weet ik dat het vergeefse hoop is. Ik kan haar slechts volgen met mijn blik, als ik zou proberen haar aandacht te trekken, zou ze verdwijnen, oplossen, nog voor ik kan zien waarvoor ik ben gekomen.
Ze aarzelt niet aan de vloedlijn. Ze neemt zelfs geen moment om te voelen of het water koud is, of lekker, of ertussen in. Ze schrijdt voorwaarts, in hetzelfde tempo als dat ze door de duinen liep en het brede strand overstak, alsof de branding die zich om haar middel sluit haar niet hindert, alsof ze onder de golven al één is met het zoute water, dat ontvankelijk is en klaar voor de lange reis naar Bloemendaal. Op dat moment moet ik mijn ogen even hebben gesloten, want op de volgende beelden is de zee leeg, en kalm, en betoverend in het maanlicht.

Vandaag is het precies vijftien jaar geleden dat ze de zee inliep. We waren geknakt, Rebecca en ik. Onze wortels waren té wijd vertakt, té diep gegroeid, te sterk. Als ze hadden meegegeven in de storm, waren we omgevallen, en hadden we opnieuw kunnen beginnen. Maar dat kon Rebecca niet, en mij is het ook niet gelukt. Eén keer nog, ben ik met Rebecca geweest. Het gebeurde een jaar geleden, toen ik mijn zoektocht in zovele meditatietechnieken, religies en andere vormen van spiritualiteit al had opgegeven. Ze droeg een groen jurkje van dunne spijkerstof, met daaronder een roze T-shirt met lange mouwen, en haar benen waren gehuld in veelkleurig gestreepte kousen, aan haar voeten rode lakschoentjes met krullende punten. Ze had haar lange haar in een staart, maar toch kon ik zien dat het nat was. We hebben gedanst, in elkaars armen, zonder dat ik haar lichaam tegen het mijne voelde, terwijl ik vergeefs mijn best deed haar blik te vangen, haar in die diepblauwe ogen te kijken en te zien wat daarachter allemaal gebeurde. Vergeefs, omdat ze al die tijd haar ogen niet opsloeg en haar bleke wang tegen mijn schouder liet rusten. Er was ook geen muziek en dat maakte het dansen nogal chaotisch, maar voor mij had het moment tijdloos mogen zijn. Opeens stapte ze achteruit, draaide zich om en rende weg, een bos in, dat ik eerder niet had opgemerkt. Ze droeg het witte nachthemd, dat ze heel soms in de winter droeg.

Het was geen bevredigende ervaring en in dat opzicht verschilt ze weinig van al het andere dat in de afgelopen jaren tot het verleden is gaan behoren. De retraites, de schriftstudies, de maanden van meditatie in talloze kloosters op de meest afgelegen, desolate plaatsen in de wereld, waaraan ik begon in de status die anderen zo graag willen bereiken, mijn geest los van mijn lichaam, en naar ik nu weet, voorgoed onmachtig erin terug te keren. Verlangen naar Rebecca is de enige emotie die ik me in al die tijd kan herinneren, maar ook die is in verval geraakt en verworden tot iets wat dreint, als een kind dat zich verveelt en niet kan bedenken waarom. Er is nergens plaats voor mij.