Fleur van Groningen (31) is een snel rijzende ster bij onze zuiderburen. In 2009 begon ze als cartooniste voor het glossy magazine van Goedele Liekens. Inmiddels tekent ze voor diverse kranten en tijdschriften, schrijft ze columns, en is ze het gezicht van de Vlaamse krant Het Nieuwsblad. Haar zielenroerselen bereiken wekelijks miljoenen Belgen. Tim Notten interviewde haar voor The Post Online.

Volgens de bio op je site ben je het gevolg van een ongelukje, “een liaison tussen een rebels  Nederlands meisje van goede komaf en een veel oudere, mysterieuze, Antwerpse artiest”. Hoe was jouw jeugd?

Mijn biologische vader was een zeer afwezige. Tot mijn achtste leefde ik alleen met mijn moeder in Nederland, daarna verhuisden we naar mijn stiefvader in België, die ook twee dochters had. Ons nieuw samengesteld gezin viel vaak uiteen in twee kampen, omdat we zo verschillend waren. Mijn moeder kwam in contact met een sekte. Het motto, “ken uzelf” sprak mijn stiefvader en haar erg aan.

Ze is altijd een zoekster geweest, maar niet het zweverig type dat regenboogsandalen draagt en dreamcatchers in haar haren heeft. Een gemeenschappelijke spirituele overtuiging leek het cement dat we nodig hadden. Ze wilden bewustere mensen worden, hun bedoelingen waren goed. Zij hadden ook geen idee wat er tegen ons gezegd werd op kinderkampen en tijdens bijeenkomsten voor de jeugd. Achteraf hebben ze daar veel spijt van gehad.

Want het mooie motto werd nauwelijks in praktijk gebracht. Wij kregen vooral ongenuanceerde interpretaties van de wijsheden van de goeroe geserveerd. We mochten geen emoties, geen ego, geen verlangen hebben, moesten kuis zijn en in een voortdurende staat van gedachteloos bewustzijn verkeren. We moesten ’s morgens en ’s avonds mediteren. Mantra’s zingen bij een altaartje met een foto van de goeroe, een kaars en een stokje wierook. ’s Zomers ging ik naar kinderkampen, waar gefrustreerde, strenge lieden ons het ene dogma na het andere door onze strot ramden. Ik had het geluk dat mijn moeder toch rebels bleef, en mijn stiefzusjes en mij verboden vrijheden toestond.

Op mijn zestiende begon mijn persoonlijkheid zich op te dringen en ik wilde experimenteren, ontdekken. Ik rookte al eens stiekem een joint, wilde uitgaan, werd verliefd en voelde de niet te negeren dwang om seksueel getinte tekeningen te maken. Dat alles kon ik niet meer rijmen met de sekte. Ik ben dus vertrokken met een enorm schuldgevoel en de angst dat ik misschien geen goed mens meer was.

Ik kreeg een zware depressie, suïcidale momenten. Ik moest argumenten zoeken om daar geen gehoor aan te geven. Ik ben niet gaan rebelleren, door pakweg rond te neuken en coke te snuiven. In plaats daarvan koos ik wat ik wilde overhouden van de wijsheden in de leer van de goeroe, zoals introspectie, het verschil tussen het ego en de ziel, dat soort dingen. Ik ben mezelf gaan verklaren, mijn eigen psycholoog geworden, op zoek naar mijn echte persoonlijkheid. Ik vond een eigen manier van mediteren, waarbij ik me prettig voelde. Ik heb mezelf ook echt leren kennen, en ben heel trouw aan mezelf geworden. “Ken uzelf” is dus toch nog uitgekomen.

Op je zesentwintigste raapte je al je moed bijeen en bevond je je plots met een map vol tekenwerk op de stoep bij uitgeverij Sanoma. Met klamme handen en knikkende knieën, hopend op een opdracht als cartoonist.

Na het leven in een sekte wilde ik niets liever dan ‘normaal’ zijn, functionerend in deze maatschappij. Ik geloofde echt dat iedereen het voor elkaar had, behalve ik. Dus koos ik voor een man die normaal leek te zijn en een saaie kantoorjob. Ondertussen probeerde ik mijn eigen persoonlijkheid weg te moffelen. Dat lukte natuurlijk niet en dat schijnbaar normale leventje stortte tenslotte helemaal in. In één klap was ik alles kwijt: mijn lief, mijn werk, mijn toekomstverwachtingen.

Alleen mijn droom om cartooniste te worden had ik nog. Aan mijn talent om te tekenen had ik nooit getwijfeld, maar ik had al vijf jaar geen potlood meer vastgehad. Toch tekende ik op drie dagen tijd – luidkeels huilend – een map vol cartoons bij elkaar. Nadat ik me ergens in een café in Brussel stomdronken had gezopen belde ik op maandag naar de redactie van Goedele, het toenmalige personality magazine van Goedele Liekens. Met mijn zakelijkste stem vroeg ik om een afspraak.
‘Praat maar gewoon, hoor Fleur’, klonk het aan de andere kant.
‘Gisteren klonk je wel anders!’ Blijkbaar had ik de avond voordien lamlazarus tegen de chef redactie staan wauwelen. Dat vond ze gelukkig wel sympathiek en zo kreeg ik mijn afspraak. En werd ik aangenomen.

Al gauw mocht ik ook gaan brainstormen en schrijven. Opeens waren mijn vreemd kronkelende hersenen een pluspunt en was ‘normaal zijn’ juist taboe. Voor mij was het in elk geval een levensles: als je trouw bent aan jezelf, rolt het leven een rode loper voor je uit, en komen de kansen op je pad die bij je horen. Als je iemand anders probeert te zijn, krijg je ook diens leven, en dat kan je nooit de vervulling geven die je eigen pad je zal brengen. Wat niet wil zeggen dat het me allemaal in de schoot werd geworpen, hoor. Ik moest en moet hard werken.

Wat is er zo “vreemd kronkelend” aan jouw hersenen?

Ik leg minder voor de hand liggende verbanden, ben vaak bijdehand. Als kind was dat al zo, toen ik vier was zei de fronsende kleuterjuf tegen mijn moeder: ‘Fleurtje is een lief kind maar ze maakt zulke vreemde grapjes…’ Toen ik jaren later de Belgische cartoonist Kim Duchateau ontmoette, merkte ik dat hij ook zulke gekke links legde, of zelfs gekkere. We konden samen op een trip zitten, terwijl anderen niet begrepen waar we het over hadden, laat staan wat er zo geestig aan was.

Anderzijds is er een stukje van mij dat de eeuwige getuige is. Daardoor kan ik me zelden volledig in iets verliezen, zonder het geheel gade te slaan. Behalve tijdens seks en de slappe lach. Een vriendin van me zei laatst: ‘sommige mensen leven alleen in de reactie’. Ik ben zo niet. Ik heb een rijke innerlijke wereld, waar voor mij het meeste gebeurt. Een mengeling van fantasie en gevoel. Ik ben niet afhankelijk van voortdurende prikkels van buitenaf; integendeel, bij voorkeur doseer ik dat zelfs het liefst.

Je kwam dus binnen als cartoonist en werd vervolgens gevraagd om ook voor het blad te gaan schrijven. Had je voor je tijd bij Goedele enig vermoeden dat je daar talent voor had?

Op school werd me vaak verweten dat ik altijd ‘zulke rare moeilijke woorden’ gebruikte. Misschien kwam dat omdat ik veel las. Maar ik was ook altijd op zoek naar het juiste woord, het woord dat de lading dekt. Als een vorm van eerlijkheid.

Ergens koesterde ik wel de droom om te mogen schrijven voor bladen, maar ik was bang dat ik te middelmatig was. Het is door te groeien in het schrijven en zoveel positieve reacties te krijgen, dat ik meer zelfvertrouwen heb gekregen. Al ben ik nog steeds niet overtuigd van mijn schrijftalent. Ik geloof eerder dat ik een goede waarnemer ben, die oog heeft voor detail en daardoor een situatie kan (her)scheppen. Maar een woordkunstenaar zou ik mezelf zeker niet noemen.

In de cartoons die je maakt voor het Vlaamse mannenblad Ché toon je jezelf een beetje als one of the guys. Vrouwen komen er niet zelden bekaaid vanaf bij jou.

Ja, er wordt me wel vaker gezegd dat ik mannelijke humor heb – en ik moet zeggen dat ik zelf ook het meeste met mannen moet lachen, al ken ik ook een paar écht geestige vrouwen, maar die zijn in de minderheid. Ik merk dat vrouwen vaker passieve humor hebben: ze kunnen wel een goede grap herkennen maar hem niet zelf verzinnen. Al is dat natuurlijk niet de regel. Voor mij is een grap goed, als ‘ie een beetje pijn doet. En gezien ik zelf een vrouw ben, kwets ik mezelf vaak met vrouwonvriendelijke tekeningen. Van die anti-mannen humor vind ik zelf heel snel vervelend. Dan word je zo’n feministische zuurpruim. Zelfrelativering is leuker. Plus: ik houd van mannen. Mannen kunnen het leven een stuk eenvoudiger maken.

In mijn reeks “Fleur de Collaborateur” legde ik de Ché-lezers uit hoe vrouwen in elkaar zaten en hoe ze daar misbruik van konden maken. Als ik mezelf niet even flink pijn had gedaan in zo’n column, was ‘ie volgens mij niet goed. En regelmatig moesten er ook wat vriendinnen of kennissen aan geloven. Gelukkig reageerden die dan naïef met: “Goh, wat herkenbaar, wel een beetje confronterend.”

In je persoonlijke columns ben je erg open. Je maakt de lezer deelgenoot van je onzekerheden en gestuntel in het dagelijks leven, naar het schijnt zonder al teveel gêne. Welke bedoeling zit daarachter?

Ik ben open omdat ik probeer een taboe te doorbreken. In België is men vaak toch nog erg introvert. En de eenzaamheid die daardoor kan ontstaan, zeker in tijden van Twitter en Facebook, waarin iedereen het gevoel heeft dat de ander succesvoller is, wil ik graag doorbreken. Ik wil bruggen bouwen tussen eilandjes, en in dit geval doe ik dat dan maar door eerlijk te zijn over mijn eigen pieken en dalen. Ik heb ook alsmaar minder nood aan een masker om me te beschermen. Want wat je van jezelf aanvaardt, is niet meer zo kwetsbaar voor andermans kritiek.

Columns schrijven voor een publiek van een miljoen lezers, heeft me dat onder andere geleerd. In het begin schrok ik van al die reacties, iedereen had een mening over mij, opeens was ik publiek bezit en werd ik op straat aangesproken. Maar al gauw besefte ik dat er zoveel meningen als mensen waren, en dat elke reactie  – goed of slecht – vaak eerder een zelfportret was dan dat het werkelijk iets over mij zei.

Zowel lof als kritiek doen me daarom steeds minder. Als ik er maar zelf achter sta. Al blijft het natuurlijk heerlijk om complimentjes te krijgen van mensen die ik waardeer. Maar voor mij blijft het grootste compliment: ik heb iets aan je gehad. Of dat nu een onbekende is of niet. Want dan ben je blij met z’n twee. En vooral: dan ben je zinvol geweest. Ik ben niet zo zeer op zoek naar een gelukkig leven, als naar een zinvol leven. En dat houdt in dat je blijft zoeken, blijft evolueren, blijft geven. Ik wil niet stagneren.

Natuurlijk heb ik nog steeds behoefte aan erkenning, dat heeft iedereen. Ik ben er alleen minder afhankelijk van dan vroeger, ook omdat complimentje me vaak een gevoel van onvrijheid geven, alsof ik dan bij ze in het krijt sta. Vroeger, als iemand me een compliment gaf, dacht ik: ‘O, ik ben tegen alle verwachtingen in toch oké! Hoera!’ Nu denk ik: ‘Dankjewel. Maar zeg je dat nu omdat je het meent, of heb je ook iets van mij nodig om jezelf beter te voelen?’ Ik vind het een intimiteit, die ik liefst niet met iedereen deel.

Ik denk dat ik gewoon realistischer omga met complimenten. En met kritiek. Het zijn tenslotte twee kanten van dezelfde medaille. Voldoening ervaar ik als ik zinvol ben geweest. Als iemand écht iets aan mij heeft gehad. Als vriendin, als raadgeefster, als schrijfster, wat dan ook. Ik heb inmiddels ook de liefde gevonden – of de liefde mij. Dat bevredigt me natuurlijk al grotendeels, waardoor ik minder liefde en bevestiging bij vreemden ga zoeken.

In de rubriek “Vraag het aan Fleur” in de Vlaamse krant Het Nieuwsblad behandel je problemen van lezers. Intieme vragen, die je met een dikke knipoog beantwoordt. Toch ga je nogal eens op de psychotherapeutische toer. Is dat niet erg gewaagd?

Dat vraag ik me dus ook geregeld af. En dan ben ik blij dat ik me achter die knipoog kan verschuilen. Anderzijds krijg ik elke zomer karrenvrachten positieve reacties op die rubriek. Dankbare mails van mensen die schrijven dat ze er zoveel aan gehad hebben. Dus dan ben ik toch blij dat ik me daar aan waag. Misschien is het juist omdat ik geen psycholoog ben, dat ze niet klakkeloos zullen doen wat ik zeg, maar eruit halen wat voor hen van pas komt, wat resoneert, en de rest laten liggen.

Zo vrijblijvend wil ik ook zijn. Omdat ik niet geloof dat wat voor de één werkt, ook per se een oplossing is voor de ander. Een situatie kan er van buitenaf wel hetzelfde uitzien, maar  dat wil nog niet zeggen dat het inhoudelijk ook zo is. Mensen moeten vooral voor zichzelf blijven denken. Maar ze regelmatig een ander perspectief tonen, is niet verkeerd. Dan hebben ze meerdere opties, waar ze nog altijd zelf hun keuze uit maken.

Wel geloof ik dat veel situaties dezelfde kernoorzaak hebben. Zelfkritiek is er zo één. Ik detecteer bij alle mensen die ik ontmoet vroeg of laat wel hun zogenaamde “innerlijke criticus” – een stemmetje in hun achterhoofd, gebaseerd op een kritische leraar, ouder, pestkop of ex, dat hen kritische opmerkingen influistert. Dat veroorzaakt vaak al dan niet bewust hun problemen.

Drie jaar geleden ontstond het idee voor je eerste boek, dat in maart 2011 onder de titel ‘Haal het slechtste uit jezelf’ verscheen bij uitgeverij Lannoo. Een ironisch zelfhulpboek waarin je het genre zelf stevig op de hak neemt.

Zelfhulpboeken, bah! Ik houd niet van het opgeheven vingertje, van mensen die je zeggen wat je moet doen en wat niet. Ik ben ook allergisch voor de zelfontkenning die vaak door dat soort boeken ontstaat, net als in de sekte waarin ik zat. Mensen moeten vooral voor zichzelf blijven denken. Ik heb een hekel aan mensen die gaan zweren bij een boek, een goeroe, een persoon waar ze naar opkijken, en zichzelf naar beneden halen. Ik wil dat iedereen de god in zichzelf erkent, zijn eigen goeroe wordt.

Misschien erger ik me meer aan ruggengraatloze wezens die zelfhulpboeken meningloos adopteren, dan aan de boeken zelf. Veel mensen willen de verantwoordelijkheid voor hun leven niet nemen, en onder andermans vleugels schuilen. Dat stoort me, al is het eigenlijk ongepast om dat te veroordelen, want ze zullen er ongetwijfeld hun redenen voor hebben. Maar mensen die zichzelf in de slachtofferrol plaatsen, ontnemen zichzelf hun mogelijkheden en kracht. Dat vind ik zonde, ik zie ze liever openbloeien.

Ik moet toegeven dat ik, toen ik net samen was met mijn lief na lang alleen te zijn geweest, héél blij was dat ik opeens niet meer alle beslissingen hoefde te nemen. Alsof het leven milder werd. Maar na een tijdje voelde ik me alsmaar afhankelijker worden van die breedgeschouderde man, en toen wilde ik toch terug sterker worden, zelfstandiger. Het was even een fijne luxe, leuk om uit te blazen. Maar niet mijn weg. Ik ben te eigenzinnig, denk ik, te trots.

Weet je wat ik echt graag zou willen? Ik wil kippen houden. Misschien word ik over een paar jaar wel gewoon huisvrouw. Kinderboeken schrijven met zicht op de kippen. En de mensen in huis liefhebben. Want liefde is toch altijd mijn grootste ambitie.

Dit interview met Fleur van Groningen verscheen op 17 november 2013 op The Post Online.