Sytsje stapte van haar fiets en drukte het voorwiel stevig in het rek. Ze trok haar jurkje, dat tijdens het trappen langs haar dijen omhoog was gekropen, recht, en glimlachte naar de jongen die haar bij al die bezigheden nauwlettend gadesloeg. Hij leek op Waylon, vond ze, zoals hij daar wat eenzamig zijn sigaretje zat te roken, met zijn grote, dromerige ogen en zijn lange haar in wanordelijke plukken om zijn gezicht. Nee, dacht ze, deze is mooier. Nóg mooier dan Waylon. En dat zit hier gewoon op een bankje, in mijn stad. Ze trok haar tas uit het mandje en zette de fiets op slot.

‘Je bent toch niet ziek?’, vroeg de jongen. Verrast draaide ze zich naar hem om. Hij was ongeveer van haar leeftijd, schatte ze – iets ouder misschien, hooguit achtentwintig. ‘Je ziet er niet ziek uit tenminste’, vervolgde hij. ‘Nee, totaal niet zelfs.’

‘Nee joh!’ lachte ze. ‘Nee hoor, niks aan de hand.’ Ze zwaaide naar hem, waar ze meteen spijt van had omdat ze het nogal een suffe reactie vond van zichzelf, en draaide zich om naar de ingang van het ziekenhuis.

Een ouder echtpaar kwam naar buiten, de man zwaar leunend op zijn vrouw, zijn wandelstok als ballast achter zich aan slepend. Sytsje wachtte even tot de deur zich weer zou sluiten, om in het spiegelende glas haar jurkje te kunnen inspecteren. Waarom moest ik ook per se iets straks aantrekken, dacht ze, maar het antwoord wist ze al: nu kon het nog.

Inderdaad, het kon nog, zag ze opgelucht. Haar borsten waren flink gegroeid, maar haar buik was nog steeds mooi plat. Ze ademde diep in, zette een stap waardoor haar spiegelbeeld verdween in de grote hal erachter, en liep naar binnen.

Het was warmer op de poli dan in de rest van het ziekenhuis. Uit roosters in het systeemplafond druppelde vocht, dat her en der op de vloer kleine plasjes vormde. Condensvocht, had een vriendelijke broeder haar uitgelegd, omdat de airco in deze oude vleugel van het ziekenhuis geen partij was voor de losgebroken zomer buiten. Sytsje zat naast de koffieautomaat. Ze verwonderde zich over de onmiskenbare geur van versgebrande koffie, want het filtraat dat het apparaat produceerde had daar weinig mee te maken, wist ze van eerdere bezoeken. Ze smachtte naar een peuk.

Verveeld speelde ze met haar iPhone. Facebook, Twitter, Whatsapp, ze had alles al gelezen en beantwoord. Wordfeud woordjes gelegd; internet was klaar. Glazig staarde ze naar haar telefoon, in afwachting van de arts of assistent die haar nu elk moment kon binnenroepen. Haar blik dwaalde af naar haar borsten. Enorm, vond ze die. Zwanger zijn had zo zijn voordelen.

De telefoon zoemde in haar hand. Nieuw bericht, van Arwen. Haar zus maakte zich al sinds de conceptie zorgen om haar. Op het hysterische af. Sytsje, zou je nu nog wel gaan werken? Shoppen?! Ben je helemaal gek, dat kan niet meer in jouw toestand! Als het aan Arwen lag, kwam ze haar bed niet meer uit. Goed, het was dan ook Arwens kind, maar Sytsje moest het nog zes maanden met zich meezeulen. Het zweet brak haar uit. Zes maanden. Nog zésentwintig weken! Ze gooide het bericht ongelezen weg.

‘Hallo, schone dame!’ Abrupt schrok ze op uit haar overpeinzingen. De dromerige jongen stond in de gang en zwaaide naar haar. Hij was langer dan ze had gedacht. ‘Wacht je misschien op iemand? Ik bedoel, als je niet ziek bent… Of ben je op bezoek?’

‘Nee, nee hoor’, stamelde Sytsje. Ze voelde dat ze kleurde. Vlug keek ze opzij, de wachtkamer in. Het bordje “Poli Verloskunde” moest net buiten zijn zicht hangen, constateerde ze opgelucht. ‘Ik wacht helemaal nergens op.’

‘Nou, dat komt dan heel mooi uit’, zei de jongen. ‘Ik ben ook wel zo’n beetje klaar hier. Heb je zin om in de stad een biertje te gaan drinken? Of wijn, dat mag ook.’

Wijn. Sigaretten. Voor elk van beide zou Sytsje zonder aarzelen een misdrijf begaan. Ze keek om zich heen. Verpleegsters achter een versleten balie, vrouwen met buiken als skippyballen, vergezeld van mannen die overal liever zouden zijn dan hier. Nog zesentwintig weken.

‘Ja, leuk’, hoorde ze zichzelf antwoorden. Haar stem klonk hoog en vreemd, alsof ze er niets over te zeggen had. ‘Wijn, lekker!’ Ze sprong overeind. De jongen stelde zich voor. Bart. Dat paste wel bij hem, vond ze. Met een licht gevoel in haar buik liep ze naast hem het ziekenhuis uit, de zomer in.

Veertien weken onderweg, dacht ze. Dat viel nog binnen de wettelijke termijn voor abortus. Ze rechtte haar rug en glimlachte naar Bart.

‘Zeg, heb je misschien ook iets te roken bij je?’