Ruud had pijn aan zijn rug. Onderin, om precies te zijn, waar de nieren zitten. Hij had het beste deel van de dag in de brandende zon staan spitten in zijn tuin om Tanya te begraven, de oude herder van zijn ex. Toen de kuil diep genoeg was, en Ruud Tanya voorzichtig met een paar van haar favoriete speeltjes op de bodem van het verse graf had gelegd, was er niemand om het afscheid mee te delen. En dus had Ruud in zijn eentje maar wat hartverscheurend gejankt, terwijl hij schep na schep de kuil weer vulde met vochtige, zwarte aarde.
Hij dronk zijn derde biertje leeg en wenkte de serveerster. In het licht van de ondergaande zon leek ze op een leeuw, dacht hij, met die enorme bos pluizig haar die als manen om haar hoofd krulde.
‘Nog een biertje graag’, zei Ruud. ‘Het is tenslotte niet alle dagen feest’. Ze knikte, en knipoogde naar hem. Aan het tafeltje naast hem draaide een breedgeschouderde man zich naar hem toe.
‘Feest?’, vroeg hij. ‘Vergeef me dat ik het zeg, vriend, maar erg feestelijk zie je er niet uit.’
Verbaasd keek Ruud zijn buurman aan. De man was een jaar of dertig, en had heldere, blauwe ogen in een gebruind gezicht. Hij was in gezelschap van een iets jongere vrouw, minstens even bruin, in een eenvoudig wit jurkje. Haar lange, donkerblonde haar golfde over haar blote schouders en de glimlach waarmee ze Ruud opnam had iets droevigs. In haar hand had ze een versleten teddybeertje.
‘Nee’, antwoordde Ruud, ‘je hebt gelijk. Het is niks geen feest vandaag.’
De vrouw knipperde met haar ogen, bijna alsof ze hem op zijn gemak wilde stellen. Grote, diepbruine ogen, die leken te zeggen dat alles goed zou komen. Ze brachten Ruud van zijn stuk, en even wist hij helemaal niets te zeggen. De man legde een hand op Ruuds schouder. ‘Ik zag het al aan je toen je het terras op liep. Verlies. Je ziet het in iemands ogen. Afscheid is onvermijdelijk, vriend. Het zit er al aan te komen zodra je je aan een ander hecht.’
‘Mijn hond is overleden’, zei Ruud. ‘Vannacht, in haar slaap. Ik heb haar vanmiddag begraven.’
‘Och wat afschuwelijk’, antwoordde de man. Zijn tafelgenote sloeg een hand voor haar mond. Ruud keek toe hoe ze langzaam de hand weer liet zakken, over haar kin, de contouren van haar lange hals volgend naar het zilveren kettinkje op haar borst. Haar onderlip trilde, alsof ze elk moment kon gaan huilen, en met haar andere hand bracht ze de versleten teddybeer naar haar mond.
‘Misschien klinkt dit raar’, zei de man nadenkend, ‘maar ik krijg ineens een idee. Ik vertrek namelijk volgende week voor een half jaar naar het buitenland.’ Hij knikte in de richting van de blonde vrouw. ‘Ik kan haar niet meenemen, maar ik kan haar ook niet zomaar achterlaten natuurlijk. Ik ben al een tijdje op zoek naar een goed adres voor Mia, maar dat valt nog lang niet mee. Nergens een goed gevoel bij, snap je? Maar nou dacht ik dus…’
Hij keek even naar Mia, en van Mia weer naar Ruud. Mia ging rechtop zitten en haar glimlach was op slag een stuk minder droevig.
‘Jij lijkt me een goeie gast. Zou jij voor Mia willen zorgen, in elk geval tot ik terug ben? Ik bedoel… Nou ja, volgens mij kan je haar gezelschap nu wel gebruiken. En voor Mia en mij zou het een hele geruststelling zijn als jij…’ Hij haalde verontschuldigend zijn schouders op. ‘Sorry, ik loop te raaskallen. Vergeet alsjeblieft maar wat ik net gezegd heb. Het spijt me.’
Nog geen half uur later wandelde Ruud arm in arm met Mia terug naar zijn auto. Af en toe schudde ze grommend haar hoofd, met de teddybeer tussen haar tanden. ‘Nou Mia’, zei hij, terwijl hij het portier voor haar open hield, ‘dan moeten we er maar het beste van maken hè?’ Ze kwispelde met haar ogen, terwijl ze een lange, slanke arm op zijn schouder legde en de teddybeer uit haar mond liet vallen. Ze boog zich naar hem toe en gaf hem een natte lik over zijn mond en neus. Daarna sprong ze soepel op de achterbank, rolde zich tevreden op, en viel vrijwel meteen in slaap.