Hij remt niet eens. Niet dat hij erg hard rijdt op zijn glimmende racefiets –  ik schat dat Lucille Werner hem te voet had kunnen inhalen – maar daar gaat het niet om. Er loopt daar toch duidelijk een hond. En heus nog niet zo’n kleine. Het is een kraakheldere, zonnige, zaterdagochtend. De weg is niet glad, de man in zijn Rabobank wielertenue lijkt me niet beschonken en de hond volgt koersvast een rechte lijn. Waarom stuurt ‘ie dan niet om haar heen?

Hij raakt het dier links in haar flank. Ze schrikt zich het lazarus en springt opzij, heel verstandig. De Raborenner gaat met een kolderiek boogje naar het asfalt, omdat ie nu ineens wel, en kennelijk nogal bruusk, in zijn remmen knijpt. Gelukkig draagt hij zo’n mooie blauw-oranje helmpje.

Ik help hem overeind en vraag of hij zich heeft bezeerd. Dat is kennelijk tegen het zere been, want hij trapt naar mijn hond en buldert dat ik dat klotebeest aan de lijn moet houden. In plaats van de hond raakt hij zijn fiets en dat komt zijn stemming niet merkbaar ten goede.

Ik doe mijn best om de man op te vrolijken. Dat het erg vervelend voor hem is dat hij haar niet kon ontwijken, maar dat dit toch echt een hón-dén-lós-loop-ge-bied is. Deze correcte constatering brengt ons in een oogwenk dichter bij elkaar. Veel dichter. Zo dicht zelfs, dat zijn kin bijna mijn voorhoofd raakt. Op zijn fietsschoentjes toornt hij makkelijk zo’n twintig centimeter boven mij uit. Heel even krijg ik de indruk dat hij me een kopstoot wil geven, maar zo stom zal hij toch niet zijn?

Klont! Ach, dus toch. Ik doe verrast een stap terug. De Rabobank grijpt naar zijn neus. Daar komt bloed uit, en best veel ook. Het druppelt langs zijn kin, op zijn mooie shirt. De verbijsterde uitdrukking op zijn gezicht verraadt dat hij geen ervaren kopstoter is. Nou ja, we hebben het allemaal ooit een keer moeten leren natuurlijk, maar hij had voor zijn eerste keer beter een langere tegenstander kunnen kiezen.

,,Kan ik iemand voor je bellen? 1-1-2? Je moeder?’’ Tot mijn verbazing begint hij te brullen. ,,Je hebt mijn neus gebroken klootzak!’’ Het brullen gaat over in loeien. Niets meer van te verstaan. Dit lijkt me een goed moment om door te lopen. ,,Neus dichthouden en hoofd achterover. Er komt vanzelf hulp. En een fijne dag nog hè?’’

Tim Notten