Ik vermoed dat het lastig is om een kop te hakken uit graniet. Natuurlijk, de kop is er al en je moet alleen de overbodige steen wegtikken, maar toch, dat lijkt me nog lang niet makkelijk. Gelukkig is beeldhouwster Leah er een kei in, en daarom is ze een zo gevierd kunstenares, dat ze voor een expositie gevraagd wordt haar eigen beeltenis te bevrijden uit zo’n stuk rots. En daar begint de narigheid, want hoe maak je een zelfportret, als je in de spiegel nooit jezelf, maar altijd een ander ziet?

Hoofdpersoon Leah heeft het zwaar in M, de debuutroman van Shira Keller. Ze loopt weg voor haar confronterende opdracht en herleeft als in een roes haar eerste, dramatische liefde, met haar docent klassieke talen. Herinnering, heden, werkelijkheid en waan lopen door elkaar als waterverf. Dat is vaak niet fijn, omdat het verwarrend is en grote oplettendheid van de lezer vraagt. Of de schrijver maakt er een artistiek rommeltje van en dan zijn helemaal de rapen gaar.

Niet in M. In M is het wel fijn, omdat Keller met haar weefkunst een sfeer oproept van onontkoombaarheid, die je ertoe dwingt door te lezen. Veel klassieker dan het thema van de verboden liefde kun je het niet krijgen en Keller sleept ook meermaals Ovidius er aan zijn haren bij. Ze komt er nog mee weg ook, omdat ze enorme genegenheid weet te kweken voor Leah en haar minnaar Markus, en juist daardoor komt de droevige geschiedenis binnen als een trein.

“Er is een fundamenteel verschil tussen niets en niks. […] Niks is van het soort niets dat er eigenlijk niet toe doet”, schrijft Keller. Ik kan niets bedenken waarom M geen doorslaand succes zou kunnen worden, en Shira Keller geen hele grote schrijfster. En dat is niet niks.