Mama ademt zwaar. Haar neusvleugels bewegen mee in het ritme van haar zwoegende borstkas. Tussen haar en mij staat een bord spruiten. Ik eet ze niet en daarom hijgt mama zo. Onze machtsstrijd duurt nu al een kwartier. Morgen moet ik op blote voeten naar school, ik mag een maand niet met mijn vriendjes spelen en ik hoef tot mijn zestiende verjaardag niet op zakgeld te rekenen. Het zal best, ik geef niet toe. Al drukt ze die mislukte, groene minikolen met handen tegelijk op mijn gebit tot moes, ik doe mijn bek niet open. Vergeet het maar. Ik ben zes, en kan heel goed zelf bepalen wat ik eet.

Ik zit op de bank, demonstratief met mijn armen over elkaar. Popmuziek dendert door de kamer als water door een gescheurde stuwdam. Papa heeft ook zijn armen over elkaar, maar hij zit niet op de bank. Hij zit aan de keukentafel, met zijn leesbril halverwege zijn neus en zijn ogen strak gericht op het dichtgevouwen ochtendblad voor zijn neus. Normaal leest hij zo de krant niet. Gewoonlijk haalt hij op zaterdagochtend heel vroeg de dikke weekendeditie uit de brievenbus en gaat, in zijn kamerjas en op zijn lievelingssloffen, met een kop thee aan tafel zitten. Daar gaat hij lekker achterover geleund met de krant in zijn handen zitten lezen. Hij draait dan klassieke muziek. Hij houdt zo van die zaterdagochtenden, omdat er dan én een krant is, én geen schoolgaande puberdochters, want die slapen dan heel graag heel lang uit. Alleen ik ben wakker, en ik ben te jong om te zeuren over zijn klassieke muziek. Maar dat was vorige week. Inmiddels ligt dat heel anders. Wat denkt ‘ie wel, dat ik eeuwig zeven blijf?

Papa staat op en loopt, zo beheerst dat het bijna griezelig is, terug naar de radio. Na wat gedraai vindt hij de klassieke zender. Nog voor hij zijn krant kan oppakken, heb ik de knop alweer teruggedraaid naar Hilversum 3. Ik heb de hele week geoefend, en ik kan het popstation nu met één trefzekere draai vinden. Ik ben acht, en ik kan heel goed zelf bepalen welke muziek ik mooi vind.

Ik zou niet eens kunnen zeggen of mijn ouders nog hebben meegemaakt dat ik zelf voor het eerst spruitjes kocht en kookte. Waarschijnlijk niet. Of dat ik mijn eerste klassieke CD’s uitzocht bij de platenzaak van Johan Calis. Zou het ze goed hebben gedaan? Of een gevoel van triomf hebben bezorgd? Vandaag kwam Joost Eerdmans, opperhoofd van het onderbuikgevoel en meester van de minimeninkjes, met de stelling: ‘kunst is te elitair’. Dat is geen obligaat geleuter, al zou je dat door Google (About 478,000 results in 0.37 seconds) misschien wel denken. Nee, als Joost het zegt, snijdt het hout.

Voila, kunst is dus te elitair. En daarom moet dat hele culturele circus op de mestvaalt. Na een halfuur deerniswekkend radio maken zijn Joost en zijn publiek, de nieuwe uitverkorenen, de nieuwe realisten, de toekomst en de hoop van onze natie, eruit. Als kunst te elitair is, dan komen er niet veel mensen op af. Want de elite is een klein groepje verachtelijke idioten met meer hersens dan eelt en we weten allemaal waar dat toe leidt. Precies. Maar goed ook, dat het zo’n kleine groep is. Je moet er niet aan denken; een elitaire meerderheid.

Hoe dan ook, een klein groepje zwamneuzen dus. En daar kun je geen musea mee overeind houden. Nee, neem nou Nico Dijkshoorn, betoogt Joost. Die volksmassapubliekslieveling krijgt dat hele Kröller-Müller museum toch maar mooi bomvol met zijn grollen. En zo moet het ook! Kunst moet voor het volk zijn, massalitair vermaak, dan komen de mensen vanzelf. En dan hebben die musea ook geen cent subsidie meer nodig. Die redenering klopt en dus heeft Joost gelijk, vraag maar aan zijn luisteraars.
Toch ga ik het proberen. Met het schaamrood op mijn kaken, heb ik de euvele moed, om tegenover het gelijk van Joost, een ander gezichtspunt te zetten. Mocht het hierna allemaal gillend uit de klauw gieren, dan verklaar ik nu alvast dat ik zal afzien van persoonsbeveiliging, omdat ik met een lullig stukje tekst de staat niet onnodig op kosten wil jagen. Lieve vrouw, kroost, familie, vrienden en honden, ik heb met heel mijn hart en ziel van jullie gehouden. Nou, daar gaat ie dan.

Lieve Joost, beste massa. Met kunst en cultuur is het net als met spruiten en klassieke muziek. Je moet ervan leren houden. En als dat eenmaal is gelukt, ben je een beter mens. Je begrijpt meer. Je ruikt beter. Het is net alsof het stof van je beschimmelde brein wordt geblazen. Je kunt hetzelfde ding ineens van talloze kanten bekijken en waarderen. Duizelingwekkende rijkdom ten opzichte van je oude, vertrouwde, tweedimensionale Donald Duck perspectief. Je lijkt ook mooier en daardoor veel aantrekkelijker, omdat je mond niet langer halfopen hangt vanwege je permanente staat van angstige ontreddering. Zeker, het is even wennen, maar geloof me, je zult je een stuk beter voelen.

Het lijkt misschien onmogelijk, maar er is niet eens zo heel veel voor nodig. Als we die gesnoeide cultuursubsidie nou gewoon in ons onderwijs steken. Vier uur kunst, cultuur en klassieke muziek per week, vanaf groep één tot aan je eindexamen. Dan zal je zien Joost, dat die hele massa weldenkende, gezonde en hardwerkende Nederlanders van je zomaar ineens loeigek is op kunst. Zodat musea, orkesten en podia helemaal geen subsidie meer nodig hebben. En dan is kunst ook niet meer elitair, maar gewoon, lekker, voor het volk! En maak je om de elite maar niet druk, die vindt wel weer een nieuwe exclusieve afwijking, waar geen zinnig mens iets mee te maken wil hebben. Wat dat betreft voorspel ik gouden tijden voor het gipsfetisjisme.