Achteraf denk ik dat Rolf zich zijn zaterdagmiddag ook anders had voorgesteld, hoewel de ontroerende zelfbeheersing waarmee hij zijn stoïcijnse hoffelijkheid ondanks alle ongemak wist te bewaren, kon doen vermoeden dat hij van zijn baas wel erger gewend was. Maar – om de baas niet direct van een stigma te voorzien – misschien kon Rolf eenvoudigweg niet protesteren. De man had de verkrampte mimiek van iemand met een kaakfractuur. Hij perste de schaarse woorden die hij sprak tussen zijn tanden door, en dat was al zo voordat zijn mond was dicht getapet. Het was daarom niet altijd direct duidelijk of hij een anekdote vertelde, of probeerde aan te geven dat hij bezig was te sterven.

Rolf is het hulpje van autohandelaar Jan-Bart van der Doezel in Zuilen. Hij is handig met wax en poetskatoen, maar dus iets minder met woorden. En Rolf moet van Jan-Bart mee met klanten die een proefrit willen maken. Wij waren van dat laatste type, maar we hadden niet gerekend op een ritje met Rolf en erg inschikkelijk voelden we ons op dat punt ook niet. Rolfs baas snapte daar niets van. Rolf was een allerbeminnelijkste man, hij was netjes gedoucht en de randjes onder zijn nagels werden regelmatig schoon gepeuterd. Dus waarom in hemelsnaam wilden wij Rolf er niet bij hebben?

Ik legde uit dat Linda en ik al sinds jaar en dag graag getweeën onze proefritten maken, zodat we, genietend van onze privacy, de auto optimaal kunnen ervaren en – zo eerlijk moeten we zijn – ons vrij voelen om te bedisselen hoe we nog een hap van de prijs af kunnen kletsen. Jan-Bart vertelde daarop een aangrijpend verhaal over verzekeraars en hoe die met hun premies eerlijke ondernemers aan de bedelstaf brengen. Wij keken hem niet-begrijpend aan, en hij besloot het over een andere boeg te gooien.

‘Ik beloof dat jullie niks van Rolf zullen merken. Hij zit gewoon op de achterbank. Of in de kattenbak, ja, in de kattenbak. Hij kan liggen, dan zien jullie hem zelfs niet in de achteruitkijkspiegel. Oordopjes! Ik kan hem oordopjes in doen, dan kunnen jullie zeggen wat je wil. Hoe is dat?’
‘Nou,’ begon ik, maar verder kwam ik niet.
‘Tape! Ik plak zijn mond dicht, dan kan hij zich ook nergens mee bemoeien!’ Nog voor ik kon reageren draaide Jan-Bart zich om en verdween in de werkplaats.
‘Ik wil al niet meer hoor,’ zei Linda. Laat maar zitten. We gaan wel naar het strand.’
‘Er is geen strand in Zuilen.’
‘O. Nou, een ijsje eten dan. Ga maar tegen die gek zeggen dat we weggaan.’

Op dat moment rolde Jan-Bart een volledig ingepakte Rolf de showroom in. Met behulp van bubbeltjesplastic en enkele tientallen meters Duct tape had de autohandelaar van zijn medewerker een reusachtige palingworst gemaakt. Door twee buisjes in zijn neusgaten konden we Rolf horen ademen.
‘Zo!’ Jan-Bart plaatste trots zijn linkervoet op het ingepakte lichaam. ‘Zo doen wij dat hier. Want wij hebben alles, maar dan ook echt alles over voor onze klanten.’
‘Behalve een proefritje zonder Rolf,’ mompelde Linda.
‘O, gaan we op die toer?’ Jan-Bart had kennelijk ook zo zijn grenzen. ‘Na alle moeite die ik voor jullie heb gedaan?! Weet je wat, jullie rotten maar op! Je mág niet eens meer met Rolf in mijn auto! Jullie verdienen Rolf niet, en mijn auto’s ook niet.’ Met woeste halen begon hij het plakband van de palingworst te rukken. Daarbij kwam een van Rolfs bakkenbaarden mee, en een stukje wenkbrauw. Hij knipte een zakmes open om hardnekkige stukken plakband te verwijderen.

‘Nou,’ zei ik, ‘dan gaan wij maar weer eens. Weet u hier in de buurt misschien een ijssalon?’
‘Ja, of een strand,’ zei Linda.
Jan-Bart richtte zich op. In zijn ogen waren adertjes geknapt. Hij wees naar Linda met zijn mes. Er zat bloed aan het lemmet.

Niet al te ruw, maar wel beslist, trok ik Linda mee naar de uitgang.